BVD dragers blijven te vaak rondlopen
Op 28 procent van de melkveebedrijven circuleert het BVD-virus onder het jongvee. Dat blijkt uit een steekproef die GD op bedrijven deed bij jongvee van 8-12 maanden. Misschien is de drager nog aanwezig op het bedrijf of tot voor kort aanwezig geweest.
Jaarlijks raakt op 28 procent van de melkveebedrijven het jongvee besmet met het BVD-virus doordat een dragerdier (zie kader en foto) aanwezig is of was. Volgens de resultaten van de GD BVD QuickScan in de afgelopen jaren, werd op 320 melkveebedrijven BVD-virus aangetoond in de tankmelk. Op deze bedrijven werden bovendien afweerstoffen aangetoond bij het jongvee en in de tankmelk. Zeventig procent van deze 320 veehouders met een viruspositief bedrijf, besloot vervolgens deel te nemen aan het BVD-virusvrijcertificeringsprogramma. GD heeft vijfentwintig van deze positieve bedrijven gevolgd bij het opsporen van virusdragers. In het totaal werden 56 virusdragers gevonden op deze bedrijven (zie tabel 1).
Tabel 1. Aantal dragers op 25 viruspositieve bedrijven
aantal dragers per bedrijf |
aantal bedrijven |
totaal aantal dragers |
1 |
10 |
10 |
2 |
8 |
16 |
3 |
3 |
9 |
4 |
1 |
4 |
5 |
1 |
5 |
6 |
2 |
12 |
Totaal |
25 |
56 |
Het gaat daarmee om gemiddeld 2,2 virusdragers per bedrijf. Voor het bestrijden van BVD-virusinfecties is het wenselijk dat dragerdieren zo vroeg mogelijk ontdekt en afgevoerd worden. Van de 56 dragers die nog op de bedrijven rondliepen, waren er zelfs 35 ouder dan twee jaar (tabel 2)!
Tabel 2. Leeftijd van de dragerdieren op de 25 viruspositieve bedrijven
| Leeftijd drager (jr) | aantal dragers |
< 2 |
21 |
2 - 3 |
19 |
3 - 4 |
9 |
4 - 5 |
5 |
> 5 |
2 |
Dragers aangehouden
Op zo'n 100 van de 320 viruspositieve bedrijven (30% van het totale aantal) werd door de diereigenaar besloten de dragers (voorlopig) niet op te sporen. Mogelijk zijn daardoor ruim 220 dragerdieren blijven rondlopen. Als men stopt met de opsporing voordat alle virusdragers zijn ontdekt, dan veroorzaakt de voortdurende aanwezigheid van een dragerdier een constante aanslag op het immuunsysteem van de koppelgenoten en kunnen nieuwe dragers ontstaan. Hoe het immuunsysteem van de koppelgenoten reageert als er gedurende langere tijd een dragerdier rondloopt, is nog onduidelijk. De directe en indirecte schade door een BVD-infectie kan aanzienlijk oplopen omdat dragerdieren soms langdurig niet worden opgemerkt maar wel voor de verspreiding van grote hoeveelheden virus zorgen en daarmee voor een scala aan ziekten. In de meeste gevallen sterven ze onverwacht.

Dragers houden BVD op het bedrijf
Het BVD-virus wordt verspreid door dragerdieren. Deze dragers ontstaan in de vroege dracht. Als de koe besmet raakt tussen de 30ste en 120ste dag van de dracht, dan zal het kalf het BVD-virus inbouwen in zijn lichaam. Het dier wordt vervolgens als virusdrager geboren en zal zijn koppelgenoten continu bombarderen met virus. Zelf maakt het geen antistoffen tegen het virus aan. Door de virusdragers af te voeren, stopt de ziekteverspreiding en blijft de schade beperkt. In de praktijk blijkt dat gemiddeld twee dragers worden aangetroffen op een bedrijf. Prevalentiestudies geven aan dat op dertig procent van de melkveebedrijven BVD-dragers voorkomen. Deskundigen gaan er vanuit dat twee procent van de kalveren als BVD-virusdrager wordt geboren. Vijftig tot tachtig procent daarvan sterft binnen een jaar en negentig procent van de virusdragers sterft vóór het tweede levensjaar. Dragers die aan de melk komen, zullen steeds weer een dragerkalf op de wereld zetten.
BVD begint vaak onopgemerkt, maar kan binnen enkele jaren enorme schade aanrichten: longproblemen bij jongvee, verwerpen, diarree, klauwproblemen, mastitis en een hoog celgetal. Als de ziekte zijn intrede doet op een onbeschermd bedrijf, beloopt de schade al gauw 500 euro per koe. Bedrijven waar het BVD-virus al langer circuleert, kunnen nog altijd rekenen op een jaarlijkse schade van zo'n 60 euro per koe. Wanneer u BVD vermoedt op uw bedrijf, adviseren wij u contact op te nemen met uw dierenarts. Hij kan u adviseren over de verschillende onderzoeksmogelijkheden en bestrijdingsprogramma's om een besmetting op te sporen, respectievelijk te bestrijden.
